Duurzaam bouwen en ‘verdichting’

Eén van de grote uitdagingen van duurzaam bouwen in ons land is ruimtegebrek. We leven in een vrij dichtbevolkt gebied. Hierbij is het dus van belang dat duurzame gebouwen niet alleen ecologisch en energiezuinig zijn, maar bijdragen tot de creatie van een leefbare omgeving.

De laatste tijd wordt duurzaam bouwen steeds meer met het begrip densiteit ofwel ‘verdichting’ geconfronteerd. In de meeste Europese landen wordt er jaarlijks nog heel wat landbouwgrond voor woningen, wegen of industrieterreinen opgeofferd, maar dat kan niet blijven doorgaan, zeker niet in deze ‘ecologisch bewuste’ tijden waar voeding voortkomt uit lokale landbouwproductie. De cruciale uitdaging bestaat er dus in om (ook bij ons in Vlaanderen) voldoende landbouwgrond voor de komende generaties te bewaren.

Hier verschijnt het begrip densiteit, waarbij we steeds dichter bij elkaar zullen moeten gaan wonen (en bouwen). En dan is de grote vraag: hoe kunnen we een grote densiteit verzoenen met een kwalitatieve leefomgeving?

Buitenland

Uit buitenlandse (experimenten met) duurzame wijken blijkt in elk geval dat bij elk project voldoende groen aanwezig moet zijn. Internationaal wordt aangenomen dat elke persoon over minstens 12 vierkante meter groen zou moeten kunnen beschikken om goed te leven.

In de eerste plaats zijn er natuurlijk de parken op de begane grond. Maar daarnaast wordt er ook steeds meer geëxperimenteerd met groene muren en daken. En in wereldsteden zoals New York en Seoel worden nu al heuse parken op daken van gebouwen gerealiseerd.

Deze problematiek wordt vrij grondig behandeld in de permanente – ook Nederlandstalige – tentoonstelling over de duurzame stad van de toekomst, die recent in Duinkerke (op een 20-tal kilometer van De Panne) gerealiseerd werd. Hier werd namelijk in een voormalige opslagplaats voor suiker (www.halleauxsucres.fr) een ‘Learning Center’ over de duurzame stad gerealiseerd, zeg maar een bibliotheek die met verschillende tentoonstellingsruimten gecombineerd wordt.

Bij het doorkruisen van de tentoonstelling leren we dat nu al 50 procent van de wereldbevolking in de stad woont, en dat dit aantal in het jaar 2050 zelfs 75 procent zal bedragen. De toekomst is aan de steden die de beste leefomstandigheden zullen kunnen bieden. De stad wordt zo de ideale plek om te experimenteren met het invoeren van alternatieve oplossingen (zoals nieuwe energiebronnen en andere levensstijlen).

Sommige architecten bedenken nu al wolkenkrabbers waar melkkoeien, kippen en moestuinen met klimaatbeheersing samenwonen. Op dit moment zijn dergelijke projecten nog vrij utopisch, maar wat we wel al zien verschijnen, zijn uiteenlopende vormen van stadslandbouw, met niet alleen kweekprojecten in volle grond, maar ook heuse boerderijen op daken. Zo zijn zowel Delhaize als Colruyt van plan om binnenkort in Brussel stadslandbouw op één van hun warenhuizen te realiseren.

In deze tentoonstelling wordt duurzaamheid onder meer omschreven als het opbouwen van ‘weerbaarheid tegen onverwachte veranderingen’.