Jennie ‘vredesvrouw’ Vanlerberghe blijft zich maximaal inzetten voor internationale vrouwenrechten

“Ik was in mei in Afghanistan op bezoek in een ‘shelter’, een opvangtehuis van de internationale vrouwenrechtengroep Madre (van International Women's Human Rights) waar meisjes of vrouwen die onder zwaar huiselijk geweld hebben geleden of weggelopen zijn van hun man, terecht kunnen. Ik heb daar vrouwen gezien met kapotgeslagen benen, met half afgerukte vingers … Horrorbeelden van mishandelde vrouwen-zonder-rechten die echt blijven kleven.”

Aan het woord, met een tril in de stem: Jennie Vanlerberghe, die in april 2014 in het koninklijk paleis door koning Filip tot barones is verheven. Een eretitel waar veel en verregaand maatschappelijk engagement aan kleeft. De nog steeds heel gedreven Ieperse van 72 is oprichter en voorzitter van het apolitieke ‘Moeders voor Vrede/Mothers for Peace Belgium’, dat zich dus al 15 jaar inzet voor vrouwenrechten en probeert toekomstperspectieven te geven aan vrouwen die slachtoffer zijn van conflicten en geweld.

Jennie Vanlerberghe was jarenlang Roularta-journaliste. Onder het pseudoniem Iphiginea schreef ze wekelijks een column waarin ze het opnam voor de gelijkheid tussen vrouw en man. “In 1991 bezocht ik Kroatië en Bosnië, waar de (derde) Balkanoorlog (1992-2001) al ondergronds aan het smeulen was. Dat bezoek vormde de kiem van Moeders voor Vrede in België. Naar het voorbeeld van de Joegoslavische organisatie ‘Bedem Ljubavi, Mothers for Peace’ richtten wij Moeders voor Vrede/Mothers for Peace op. In Joegoeslavie kwamen die vrouwen op straat en smeekten om een dialoog in plaats van geweld. Ze richtten zich tot hun leiders met de klacht: “We hebben geen kinderen op de wereld gezet om gedood te worden of om moordenaars te worden.” Later hebben we ook gelijkaardige educatieprojecten opgestart voor vrouwen in Israël & Palestina, Somalië en Zuid-Afrika. Maar de afgelopen 15 jaar is onze aandacht en inzet hoofdzakelijk naar Afghanistan gegaan, omdat we daar echt van nul zijn moeten beginnen. We hebben er alfabetiseringscursussen, Engelse lessen, landbouwprojecten, productieateliers en medische projecten lopen.”

 

Afghanistan: eerste vrouwenhuis in Istalif nabij Kaboel

In 2002 ging Moeders voor Vrede dus aan de slag in Afghanistan, een land dat werd verscheurd door oorlog en waar vrouwenrechten bijna onbestaande zijn. “In 2002 ben ik kort na ‘9/11’ met een collega van de Franse Mères pour la Paix naar Afghanistan gereisd. Op dat moment werd ook de taliban zwaar gebombardeerd door de Amerikanen. Heel chaotische en woelige tijden dus. Ik heb daar toen ook met eigen ogen de onwaarschijnlijke situatie van de vrouwen gezien. En ik vergeet nooit meer het beeld van een bedelende vrouw met een baby. Het kind werd omvergereden, maar niemand schoot de vrouw te hulp. Mijn Franse collega en ik hebben toen meteen besloten om er een vrouwenhuis op te richten, niet ver van de hoofdstad Kaboel. In Istalif, een district op 48 km ten noorden van Kaboel. Het is één van de plaatsen waar de laatste gevechten tussen de taliban en de Noordelijke Alliantie plaatsvonden. Alle gezondheidscentra, scholen, landbouwmaterialen en infrastructuur werden tijdens die gevechten vernield. De Belgische afdeling van Moeders voor Vrede mobiliseerde ook de Nederlandstalige Vrouwenraad om partner te worden. Zo groeide het ‘Vrouwencentrum’ in Kaboel uit tot een heel belangrijk project in een schijnbaar onmogelijk land. Het vrouwenhuis organiseert opleidingen en heeft een ziekenhuis. Producten zoals kledij, potten en schaaltjes worden gemaakt en verkocht op de lokale markt en landbouwprojecten worden opgezet. De mannelijke tegenstand was aanvankelijk enorm. Maar de grote verandering kwam in 2006, toen ook de mannen en families bij het project werden betrokken. De mannen kregen toegang tot onderwijs en werk op voorwaarde dat ze hun vrouwen, moeders en dochters niet verhinderden om naar het vrouwencentrum te komen. Later kwamen daar nog nieuwe projecten bij:  zoals een vrouwenhuis in Dasht-E-Barchi, eveneens een klein district grenzend aan Kaboel en een in Shakar Dara op 25 km van de hoofdstad.”

Wat bedoelt u concreet met ‘onbestaande vrouwenrechten’?

“Na 9/11 zijn er overeenkomsten gesloten tussen Amerika, Europa en Afghanistan. Die zouden samen solidair aan die vrouwenrechten werken. Er is toen in Afghanistan een soort van ‘Ministerie voor Vrouwenzaken’ opgericht, maar dat initiatief was en bleef van meet af aan een holle, lege doos. Sima Samar, een Afghaanse politica, mensenrechtenverdedigster en in 2002 de eerste minister voor vrouwenzaken in de toenmalige overgangsregering van Hamid Karzai die tot 2014 Afghaans president bleef, vatte het als volgt heel plastisch samen: “Vrouwen hier zijn stof.” En zo was het, vrouwen hadden er absoluut geen rechten. Heel absurd. Een man mag trouwen met vier vrouwen, de leeftijd van die vrouwen moet minimum negen jaar zijn … De huwelijken zijn nog voor 80 procent gearrangeerd. De vader bepaalt met wie de dochter trouwt. Vrouwen kennen ook niet eens hun leeftijd. Ze werden immers niet geregistreerd bij hun geboorte, en verder werd hun identiteit nooit gecontroleerd. Toen de taliban begin 1996 (tot 2001) grote delen van Afghanistan in handen hadden gekregen en dat jaar ook Kaboel hebben ingenomen, waren er geen scholen. De situatie is enigszins verbeterd, maar blijft erg. Momenteel gaat nog steeds maar 28 procent van de meisjes naar school. In de rurale gebieden is de talibangeest blijven leven, met slechte behuizing, geen elektriciteit, weinig onderwijs als gevolg.”

Eerste resultaten: een steen in een grote  vijver?

Moeder voor Vrede België heeft sinds zijn aankomst in Afghanistan in 2002 al ruim een half miljoen meisjes en vrouwen opgeleid in de schooltjes en werk bezorgd. “Humanitair werk voor ons betekent geen financiële steun aan de bevolking ter plaatse, maar educatie en economie, meer bepaald door creatie van werk en het maken van producten. Mensen vooruit helpen en erop wijzen dat ze zelf aan hun toekomst moeten werken. Toen we in de beginfase vrouwen probeerden in te pompen dat ook zij vrijheden en rechten hebben, fronsten ze even diep de wenkbrauwen en vertrokken ze naar huis. Toen ze aan hun mannen over die vrijheden en rechten vertelden, zagen we hen uiteraard niet meer terug.”

“In Dasht-E-Barchi zijn we erin geslaagd om met heel veel diplomatie aanvankelijk een 20-tal meisjes of vrouwen een jaar les te laten volgen bij ons. We werken er met vrijwilligers van hier, die regelmatig voor enkele maanden naar Afghanistan trekken. Moeders voor Vrede heeft ook stafpersoneel ter plaatse en leidt ook leraressen op, die naar de dorpen uitgestuurd worden. “Zoals de Afghaanse lerares Karima Sadat die als sinds 2003 voor ons werkt en les geeft aan meisjes en vrouwen die nooit de gelegenheid hadden om naar school te gaan. Onlangs zei ze nog in een interview: “Het is ongelooflijk, ik kan nu etiketten lezen, geld tellen. Het is een wonder, mijn leven is totaal veranderd. Ik ben nu iemand. Heel uitzonderlijk kreeg ik de mogelijkheid om naar school te gaan, ik vind het mijn plicht om die kennis aan andere meisjes en vrouwen over te dragen.” Karima rijdt daarvoor elke dag twee uur door heel onherbergzame en vooral gevaarlijke heuvels en covert zo onze projecten ter plaatse. We merken dat vooral jongere meisjes verder vooruit willen en die geven we dan Engelse les. En stap voor stap evolueren er een aantal naar universitair onderwijs. En een vrouw die gestudeerd heeft, verandert helemaal. Ze is communicatiever, heeft leren lezen en schrijven … Ze ontdekken dat ze gerespecteerd moeten worden. Onze aanpak is eigenlijk één groot educatief kettingproces. Natuurlijk beseffen we ook wel dat we de wereld niet gaan redden of veranderen. We gooien enkel een steen in de grote vijver, maar die ene steen is daar voor honderdduizenden vrouw al zo belangrijk gebleken. Slechts één grote tegenslag: de taliban rukt sinds kort weer op.”

Een kleine, grote revolutie: mannen helpen mee!

Moeders voor Vrede heeft ook een project lopen in Shakar Dara, een district in de provincie Kaboel op 25 km van de hoofdstad waar de mensen in schrijnende armoede en onwetendheid leven. Meer dan 80% van de bevolking is analfabeet, meisjes én jongens. De grond is er geschikt voor tarwe, koren, druiven en groenten, maar is momenteel helemaal uitgeput door de droogte. Gezinnen houden een koe, schapen, geiten en kippen, maar enkel genoeg voor eigen gebruik. Toen we daar ons project opstarten, werden we aanvankelijk buitengekeken en zelfs beschimpt door de mannen. Maar in 2015 stond ons gebouw op instorten, en gebeurde wat we tien jaar eerder voor onmogelijk hadden gehouden: alle mannen uit het district hebben geld samengelegd om ons een nieuw gebouw te geven. En ook de medische infrastructuur, mét dokter, staat nu ongeveer op punt. We worden daar nu als westerlingen enorm geapprecieerd.

Ik mag zeggen dat minstens in de geest van veel Afghaanse meisjes en vrouwen een gevoel van vrijheid en onafhankelijkheid is gegroeid. Ze hebben ook deze spreuk goed begrepen: ‘Gooi geen vissen, maar leer ons vissen.” Educatie is zo fundamenteel voor humanitair werk. Ik denk aan onze Afghaanse kippenboerinnen. Die hebben we leren schrijven en rekenen, want ze moeten facturen opstellen en zelf producten betalen. Sommige vrouwen hebben zelfs al een heel kippenbedrijf uitgebouwd, die dat onafhankelijk kunnen leiden. ”

Wat is één van de schrijnendste toestanden die u daar heeft meegemaakt?

“Een vrouw die op onze kinderen past, is getrouwd met een politieman en woont zoals dat daar de traditie is, bij haar schoonouders (in Kaboel). Die ouders zijn tevreden over het loon van hun schoondochter, maar minder tevreden met haar als vrouw. Ze leefde in een kamertje apart en kreeg geen kinderen. We denken dat het koppel elkaar heel weinig zag. Plots bleek dat haar man (de politieman) met een andere vrouw ging trouwen. Ze mocht niet mee naar het huwelijksfeest. Twee maanden na zijn nieuwe huwelijk was de tweede vrouw van haar man wel zwanger, maar ze kreeg een miskraam. De ouders gingen te rade bij de plaatselijke moellah, die door moslims beschouwd wordt als expert op elk gebied dat raakt aan het islamitische geloof. Die zei dat er een slechte geest in huis rondhing. U mag twee keer raden wie als slechte geest werd aangewezen. Inderdaad … Men heeft die vrouw gedood.”

Marc Lerouge