HERMAN BRUSSELMANS BERGT VERHUISPLANNEN OP
27/01/2012 - Tekst: JV
deel dit artikel
Hoeveel boeken hij op de voorbije Boekenbeurs alweer gesigneerd heeft, valt nauwelijks bij te houden. Feit is dat Herman Brusselmans (54) één van de populairste Vlaamse schrijvers is en blijft en met De biografie van John Muts zopas weer een meesterwerk heeft afgeleverd. Na de hartverscheurende breuk met z’n vrouw Tania – nu anderhalf jaar geleden – overwoog Brusselmans om ‘zijn’ Gent achter te laten, maar dat plan heeft hij inmiddels weer opgeborgen.
“Gent voor ’t leven!”
Herman Brusselmans is reeds dertig jaar voltijds met schrijven bezig en heeft een oeuvre van meer dan vijftig boeken. Hij is – wat men noemt – een ‘veelschrijver’. Zijn volgende boek is al af en zal Watervrees tijdens een verdrinking heten. Daarna wil hij naar eigen zeggen eens twee jaar uittrekken om een keer op zijn gemak een dikke turf te schrijven.
Brusselmans: “Ik stop ermee en ik ga iets anders doen, is een gedachte die me met de regelmaat van de klok overvalt. Maar dat overkomt iedereen, vermoed ik. Of je nu bij Volvo werkt of journalist, muzikant of poetsvrouw bent. Na een aantal jaren denkt iedereen: het is tijd voor iets anders. Tot blijkt dat het voor de meesten onmogelijk is. Dat geldt ook voor mij, want ik kan niets (lacht). Ik zit al dertig jaar in de boeken. Ik heb in die lange periode niets anders gekend en geleerd. Literatuur is mijn reden van bestaan, ook financieel. Dat laatste betekent voor mij niet meer dan elke maand mijn rekeningen kunnen betalen. Luxe zegt me niets. Ik zorgde alleen voor luxe voor mijn vrouw, ex-vrouw intussen. Maar mij interesseert het dus geen reet. Als ik me om de twee jaar een nieuwe leren vest kan kopen, ben ik allang content.”
Die vrouw is er niet meer. Je hebt geen kinderen. Je zou gerust minder kunnen werken zonder dat te voelen?
“Klopt, maar op dat vlak ben ik een vreselijke broekschijter. Als ik op tv hoor dat Dexia in de problemen zit, bel ik meteen naar mijn uitgever om te vragen bij welke bank hij is en of mijn geld nog wel veilig zit. Ik probeer me wel eens voor te stellen hoe het zou zijn om aan de bedelstaf te zitten. Dan ga ik wel schotels wassen in een restaurant.”
Voor iedere schrijver geldt dat zijn laatste boek altijd z’n beste is. Is dat voor jou ook zo?
“Het valt me niet moeilijk om een top vijf op te sommen van m’n eigen boeken. Wel, De biografie van John Muts staat daar in. Zonder zever. Die top vijf is weliswaar variabel, want niet elk van de meer dan vijftig boeken die ik intussen heb geschreven, zit panklaar in mijn hoofd. Onlangs zei Dirk Pauwels, de Gentse theaterman, mij: “Het oude nieuws van deze tijden is wereldliteratuur”. Kan je geloven dat ik dat boek, uit 1994, zelf al half vergeten was? Elk nieuw boek heeft sowieso iets speciaals. Watervrees tijdens een verdrinking, mijn volgende boek, zal gaan over mijn scheiding van Tania. Het wordt een rauw en weinig opmonterend boek. Maar opnieuw een klapper dat een aparte plek zal krijgen in mijn oeuvre. En met die intentie begin ik nu ook weer aan m’n volgende boek. Telkens opnieuw.”
De tijd dat je jezelf profileerde als ‘mooie, jonge oppergod der Vlaamse letteren’ is wel definitief voorbij?
“Ik zei dat destijds met een ironie die er met bakken vanaf droop. Wie dat niet doorhad, moet achterlijk of debiel geweest zijn. Jammer genoeg zijn de meeste mensen dom… Daarom is het compleet uitgesloten dat ik ooit een bestseller scoor van 200 000 exemplaren. Het volk wil verhaaltjes. Realiteit. Terwijl ik het soort schrijver ben dat alles op de helling zet. Ik speel met genres. Om mijn boeken te snappen, moet je eigenlijk al zeer belezen zijn. En de regels van de klassieke roman grondig kennen. Ik heb àlle klassiekers gelezen. Maar dat kan helaas van zeer weinigen gezegd worden. En daarom zal ik nooit door de grote massa op handen gedragen worden. So be it.”
Hoe wil je later herinnerd worden?
“Vijf jaar na mijn dood is iedereen mij vergeten. Neem de grote Hugo Claus. Wie leest nog wat van hem? Geen kat! Ik merk het vaak op literaire optredens, waar je toch een kennerspubliek mag verwachten. Laat de naam Gerard Reve vallen en de helft van de zaal weet niet over wie je het hebt. Ik heb regelmatig contact met jonge mensen. W.J. Hermans, Reve, Cremer, Mulisch, … Nooit van gehoord! Trouwens, noem jij me eens vijf schrijvers die de eeuwen overleefd hebben. Meestal valt dan meteen de naam Shakespeare, gevolgd door een lange, pijnlijke stilte (lacht). Onderschat de vergankelijkheid der dingen dus vooral niet. Het zal mij dan ook een zorg zijn wie mij na mijn dood herinnert en wie niet. Ik verwacht zeker niet dat ik voortleef. Niemand leeft voort.”
Hoe lang woon je intussen al in Gent?
“Sinds 1986. Ik heb hier Germaanse filologie gestudeerd en wist toen als universiteitsstudent al: hier kom ik ooit wonen. Na mijn studies werkte ik vijf jaar in Brussel als bibliothecaris en woonde ik in Iddergem met mijn eerste vrouw. We zijn in ’86 naar Gent verhuisd en ik ben er nooit meer weggegaan. Ik heb op vier plaatsen gewoond: Sint-Kwintensberg, Leeuwstraat en op twee adressen in Oudburg.”
Je komt uit het Waasland. Je had eigenlijk net zo goed in Antwerpen kunnen gaan studeren?
“Hoe gaat dat? Ik was een boerenlul uit Hamme. Een doorsnee kind van niet al te bemiddelde ouders dat – tegen de gebruiken van die tijd in – op een dag besliste om naar de unief te gaan. Het werd Gent omdat mijn beste maat uit de humaniora daar wilde gaan studeren. Plus, mijn broer werkte in Gent en ik kon met hem meerijden met de auto.”
Na vijfentwintig jaar wil je nooit meer weg uit Gent?
“Dat had ik inderdaad gezworen, tot mijn vrouw Tania er anderhalf jaar geleden uittrok. Dat zijn momenten waarop je plots de behoefte voelt om het eindpunt van een periode – de ‘periode Tania’ – te markeren. Door mijn hoofd spookte een tijdlang de gedachte: “Ik wil al mijn miserie achterlaten en ga in Amsterdam wonen”. Ik ben ook effectief in Amsterdam op huizenjacht geweest. De huizen zijn er echter werkelijk onbetaalbaar. En plots bekroop me het benauwde gevoel dat ik daar in Nederland voor de rest van mijn dagen zou nagewezen worden als ‘die Belg’. Een vreemde eend in de bijt. Toen veranderde ik het geweer van schouder en zou het Antwerpen worden. Maar ook dat plan heb ik intussen afgezworen. Aan de ene kant wil ik helemaal loskomen van Tania, maar aan de andere kant kunnen we elkaar niet missen. We zien elkaar nog bijna elke dag.”
Maar wegtrekken uit Gent zou geen gat in je leven slaan?
“Jawel! Een groot gat zelfs. Ik ben in wezen een zeer trouwe, honkvaste, haast conservatieve eikel. In die zin dat Gent mijn stad hoort te zijn voor de rest van mijn leven. Woody was mijn hond voor de rest van mijn leven. Nu hij dood is, is dat Eddie geworden. Ik ben heel trouw in alles. Dus ook als het over de plek waar ik woon gaat.”
Nochtans leef je als een kluizenaar, vooral binnenshuis. En maakt het niet echt veel uit waar je woont.
“En toch ben ik aan deze stad verknocht. De wereld is voor mij Vlaanderen. Vlaanderen, dat is Gent. Gent is mijn straat en twee straten verder. Mijn dagelijkse wandeling met mijn hond. Verder kom ik zelden.”
Het zal dus toch Gent blijven…?
“Op een bepaald moment moet je de onrust uit je hoofd verdrijven en knopen doorhakken. Dus ja, ’t zal Gent worden voor de rest van mijn leven. Net als schrijven voor de rest van mijn leven. Ik had dat ook van Tanja gehoopt, maar dat heeft jammer genoeg niet mogen zijn.”
Is Gent ook een inspiratiebron voor je? Zoals voor je boek Een dag in Gent uit 2008?
“Het is nogal wiedes dat de plek waar je leeft je op één of andere manier inspireert. Maar had ik in Antwerpen gewoond, dan was het wellicht Een dag in Antwerpen geworden. Zonder dat het een wezenlijk verschillend boek was geweest. Dus nu gaan beweren dat Gent mijn muze is, zou er zwaar over zijn…” (JV)








