U bevindt zich hier:
Nieuws
> Wat het leven Manu Keirse over de dood leerde: rouw is geen psychiatrische ziekte
01/11/2009: Wat het leven Manu Keirse over de dood leerde: rouw is geen psychiatrische ziekte
Wat het leven Manu Keirse over de dood leerde
Rouw is geen psychiatrische ziekte
November blijft de maand bij uitstek waarin we onze doden herdenken. Manu Keirse (hoogleraar aan de K.U. Leuven) schreef diverse boeken over rouwverwerking, waarvan zijn klassieker ‘Helpen bij verlies en verdriet’ al meer dan 70.000 keer werd gedrukt. Ontmoeting met een ervaringsdeskundige.
We zijn evoluerende wezens in een westerse beschaving. Hoe zit het met onze omgang met de dood? Evolueren we daarin ten goede?
Zoals bij de meeste dingen in het leven is er een groot verband met je kinderjaren. Iedereen heeft nu eenmaal de neiging om op de loop te gaan voor zaken waarmee hij niet van jongs af vertrouwd is. Waarom stond men vroeger bijvoorbeeld zo huiverachtig tegenover homoseksualiteit? De mensen wisten er niks van. En als dat wél zo was, hadden ze van hun opvoeding vooral onthouden dat het een fout gegeven was. Die parallel kun je doortrekken in verband met rouw en verdriet. De cruciale vraag luidt: hoe worden kinderen geconfronteerd met de dood? Alvast heel anders dan in mijn tijd. In mijn boek ‘Van het leven geleerd’ vertel ik het verhaal van mijn zieke grootmoeder. Toen ze bijna zeventig was, voelde ze dat ze zou sterven. Daarom nodigde ze al haar kleinkinderen - elk afzonderlijk - uit naast haar bed. Ze vroeg dat we zouden bidden opdat ze nu snel dood mocht gaan. Er werd dus over gepráát. En haar bed stond in de woonkamer, de tafel was opzijgeschoven. Niet eten, maar haar ziek-zijn en nakende dood werden het centrale gebeuren. Welke kinderen maken dat vandaag nog mee? Het overgrote deel van de mensen sterft vandaag in een kliniek of in een rust- en verzorgingstehuis.
In uw jeugd kwam daar nog iets bij: u was in uw dorp misdienaar en vergezelde de pastoor als hij iemand moest gaan ‘berechten’.
Dat waren vaak lange wandelingen, omdat de mensen inderdaad nog thuis stierven. Het maakte allemaal een diepe indruk op me. Daar, in die intimiteit van de slaapkamers, voelde ik niet alleen intens verdriet, maar ook grote verbondenheid. En op de terugweg had de pastoor aandacht voor hoe ik het gebeuren had ervaren. Eigenlijk paste die warme man al avant la lettre toe wat tegenwoordig ‘emotionele debriefing’ heet. Al pratend met hem kon ik mijn gevoelens verwerken.
Over pastoors gesproken, het moet me even van het hart: ik kan erg verdrietig worden van een zoveelste zoutloze homilie tijdens een begrafenis. Dan denk ik: wat een gemiste kans!
Tien jaar geleden, toen mijn vader gestorven was, vroegen we aan de pastoor of een van mijn broers de homilie mocht doen. Tot onze blijdschap heeft hij dat verzoek geaccepteerd. Let wel: niet alle pastoors zijn zo ruimdenkend. Nu, ik wil ze zeker niet allemaal over dezelfde kam scheren: sommige pastoors houden wel degelijk een mooie preek, nadat ze zich goed geïnformeerd hebben. Maar andere keren bekruipt me hetzelfde gevoel als jij beschrijft. Tja, de pastoor is natuurlijk niet meer de centrale figuur die hij vroeger in een gemeente was. Toen had hij contact met werkelijk iedereen, nu komt hij na zo’n uitvaart terecht in een lege pastorie. Waar kan zo’n man bijtanken? Waar krijgt hij voeding, als hij die niet meer in zijn eigen biotoop vindt? Ik heb al burgerlijke plechtigheden meegemaakt die zo mooi waren, dat ik gelovigen nadien hoorde zeggen: ‘Geef mij later ook maar zo’n afscheid in plaats van een onpersoonlijke kerkdienst.’
Alles hangt dus af van degene die daar vooraan staat. En ook wel van de inbreng van de familie, al is die vaak zo geslagen door het verlies dat ze niet in staat is om zelf iets in handen te nemen. Daarom pleit ik ervoor dat mensen al aan die dingen zouden denken als ze er nog niet echt aan toe zijn. Overweeg wat je wilt doen terwijl je er nog de kracht voor hebt. Dat maakt het minder beangstigend. We bereiden onze zomer- en skivakantie grondig voor, waarom zouden we in ’s hemelsnaam niet hetzelfde doen met onze laatste reis?
In uw boek ‘Van het leven geleerd’ lees ik dat u respect hebt voor de beslissing van Hugo Claus, die koos voor euthanasie, omdat hij een leven met voortschrijdende dementering niet menswaardig vond.
Natúúrlijk heb ik daar respect voor. Maar waar ik moeite mee heb, is het grote mediacircus dat zijn beslissing teweeg heeft gebracht. Er ontstond bijna een onderhuidse teneur van: ‘Als je begint te dementeren en je bent een moedig persoon, dan móét je kiezen voor euthanasie.’ Daarmee doe je onrecht aan al die families waarin met veel zorg jarenlang een patiënt met dementie wordt omringd. Als voorzitter van De Wingerd in Leuven, een instelling voor mensen met toenemende dementering, weet ik waarover ik spreek. Ik zie daar wat - dankzij grote deskundigheid - mogelijk is om zulke patiënten nog een menswaardig leven te bezorgen. Dát is het wat ik graag in de media zou zien: een reliëf van genuanceerde beelden.
Een vraag waarmee nogal wat mensen worstelen: vertel je een patiënt dat hij zal sterven?
Een hulp bij het beantwoorden van die vraag is jezelf de vraag te stellen: zou ík het willen weten als ik zou sterven? Als kabinetschef van voormalig minister Aelvoet heb ik een grote hand gehad in de wet-Patiëntenrechten. Kort samengevat zegt die wet: elke patiënt heeft recht op duidelijke informatie over zijn gezondheidstoestand en de vermoedelijke evolutie daarvan; maar elke patiënt heeft ook het recht om die informatie te weigeren. Zelf ben ik er voorstander van om de betrokkene de realiteit onder ogen te laten zien, in de mate dat hij dat wil. Want dat staat voor mij altijd voorop: het respect voor de keuzes die iemand maakt in zijn leven, al dan niet voortvloeiend uit zijn levensbeschouwing. Ik ben christelijk, maar dat belet niet dat ik heel goede vrienden heb die overtuigd vrijzinnig zijn. Dat staat onze vriendschap helemaal niet in de weg. Wie ben ik trouwens om te zeggen dat ik met mijn christendom een meerwaarde heb ten opzichte van hen? Als ik in iets geloof, dan is het wel in authentieke medemenselijkheid en fundamentele rechtvaardigheid.
Een mooie beschouwing in uw boek ‘Van het leven geleerd’ vond ik de volgende: ‘Als het om de ziekte zelf gaat, zijn de professionals de experts. Maar wat de impact van de ziekte op het leven betreft, zijn de experts de patiënt en zijn familie.’
Meer en meer gaat men in de gezondheidszorg luisteren naar hoe de patiënt - zolang hij zich kan uitdrukken – zijn ziekte beleeft. Waar men echter nog te weinig rekening mee houdt, is dat het ziek-zijn niet alleen de patiënt raakt, maar ook allen die hem dierbaar zijn. Ook zij moeten aandacht krijgen, want hoe wil je dat zij zich degelijk met de patiënt kunnen bezighouden als ze zelf vast zitten. Je kunt je vandaag gelukkig geen kinderziekenhuis meer voorstellen waar men zich niet wijdt aan de behoeften van de ouders van het kind. Maar het gebeurt wél nog altijd dat er te weinig aandacht is voor de kinderen en kleinkinderen van iemand die ernstig ziek is. Wie informeert die? Je móét zorgen voor die jeugdige jongens en meisjes, want zo leg je het fundament voor de gezondheidszorg van morgen. Hoe zij er als kind bij betrokken worden, bepaalt hun latere betrokkenheid als volwassene.
Hoe lang mag een rouwproces duren? Een volksgezegde wil: ‘Alle seizoenen moeten er één keer overheen gegaan zijn.’
En dan moet het verdriet per definitie voorbij zijn? (zucht) Ik sprak gisteren nog met een vrouw die haar man heeft verloren. Ze zei: ‘We waren 54 jaar getrouwd. Al maanden lijkt mijn leven geen zin meer te hebben. Mijn dokter vindt dat een teken van depressie.’ Allez, als je 54 jaar samen bent geweest, hoe kan dat in één jaar gecompenseerd zijn?
Wanneer is die verwerking in uw ogen een feit?
Als de betrokkene weer van het dagelijkse leven kan genieten en opnieuw zijn verantwoordelijkheden aankan. En als het verlies niet elk moment meer op de top van zijn tong ligt. Wat nog iets anders is dan dat het verdriet ‘vergeten’ is. Wie kan ooit vergeten dat hij een vader en een moeder heeft gehad? Verwerken heeft alles te maken met het verlies integreren in je verdere leven. Maar verwacht niet van een moeder die haar kind heeft verloren, dat het verdriet op de twintigste sterfdag verdwenen is. Het is volkomen normaal dat het dan weer opduikt.
Hoe bewijzen we een rouwende medemens het best een dienst?
Laat hem zijn verhaal doen, zodat hij ‘op verhaal’ kan komen. Wat je vaak ziet gebeuren, is dat de omgeving angstvallig het onderwerp vermijdt. Een echtpaar waarvan de dochter nog geen jaar overleden was, ging op weekend met de parochiale ploeg: vijf andere koppels en de pastoor. Iedereen vertelde over zijn eigen kinderen, maar niemand die ook maar één keer de naam van die gestorven dochter liet vallen. Na afloop zei de pastoor tegen het koppel: ‘Proficiat, jullie hebben je sterk gedragen.’ Wat dus betekende dat iedereen er wel degelijk aan had gedacht, maar niemand het onderwerp ter sprake had durven brengen. Vaak hoor ik als excuus: ‘Ik weet niet wat ik tegen zulke mensen moet zeggen.’ Kijk, daar gaat het niet om. Stel jezelf liever de vraag: ‘Wat zouden die mensen vanuit hun verdriet aan mij te zeggen hebben?’ De wijsgeer Seneca had het bij het rechte eind, toen hij opmerkte: ‘Niet omdat het moeilijk is, durven we het niet aan. Maar omdat we het niet aandurven, is het moeilijk.’
Tekst: Manu Adriaens
Foto: Marc Masschelein
‘Van het leven geleerd’ en de andere boeken van Manu Keirse verschenen bij de uitgeverij Lannoo.
|